Meer
Publicatiedatum: 25-09-2019

Inhoud

Programma onderdelen
Financiering

Financiering

Dit is hoe wij denken

De financieringsparagraaf omvat het beleid inzake treasury en vermogensbeheer, alsmede  de verwachtingen voor de financieringsrisico’s. Ons beleid is vooral gericht op hoofdsombescherming en niet zozeer op rendement.

Het wettelijk kader wordt bepaald door de Provinciewet, de Wet financiering decentrale overheden (Fido), de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Ruddo), de Handreiking Treasury 2015 van het Ministerie van BZK en het Besluit Begroten en Verantwoorden (BBV). Het provinciaal kader wordt bepaald door de Financiële Verordening en het Treasury Statuut. Het Statuut ziet specifiek op :
- het aantrekken van voldoende middelen en uitzetten van overtollige middelen,
- het beheersen van financiële risico’s zoals het renterisico, kredietrisico en koersrisico,
- het optimaliseren binnen de gegeven kaders van het rendement op de liquiditeitspositie.

De provincie heeft een liquiditeitspositie en obligatieportefeuille. Per peildatum 30 juni 2019 ging het om € 634 miljoen respectievelijk € 454 miljoen (nominale obligatie waarde). Deze middelen zijn grotendeels bestemd voor toekomstige investeringen en projecten. Mede daarom voeren wij een prudent beleid ten aanzien van het vermogensbeheer.

Het beheer van de obligatieportefeuille (en het vermogen van het Nazorgfonds voor gesloten stortplaatsen in Overijssel) is ondergebracht bij een externe vermogensbeheerder, die werkt volgens het beleggingsmandaat. Op deze manier verwachten wij dat op deskundige en professionele wijze het toevertrouwde vermogen wordt beheerd.

Ontwikkeling liquiditeitspositie

Per 30 juni 2019 had de Provincie een liquiditeitensaldo van € 634 miljoen. Conform de Wet schatkistbankieren stond dat bedrag uit bij het Agentschap van het Ministerie van Financiën . Dit direct opvraagbare tegoed levert weliswaar geen rente op, maar uitgezet in de geldmarkt zou het geld kosten. Voor middelen uitgezet bij het Rijk geldt hoofdsombescherming, zodat een rentevergoeding van tenminste 0% van toepassing is.

Aflossingen uit de obligatieportefeuille (de ‘vervalkalender’) zullen vooral tot het jaar 2023 liquiditeiten opleveren. Dan resteert nog nominaal € 67 miljoen aan obligaties. Daartegenover staan de komende jaren verplichtingen die moeten worden gefinancierd. Dat betreft vooral investeringen, grondverwerving en uitgaven die budgettair worden gedekt uit verschillende doelreserves, zoals de Reserve Kwaliteit van Overijssel.

De aflossingen en couponrentes vanuit de obligatieportefeuille vormen voor 2019 wederom een belangrijke toename van de liquiditeitspositie. De kapitaalmarktrente is, en blijft naar verwachting, extreem laag. De twee hybride leningen die we hebben verstrekt aan de sectorbank BNG (Bank Nederlandse Gemeenten) leveren een structureel rendement op van € 2,5 miljoen op jaarbasis. Gelet op het hybride karakter is hiervan € 1,5 miljoen structureel en € 1 miljoen incidenteel begroot. De liquiditeitspositie toont de komende jaren nog een stijgende lijn vanwege de vrijval vanuit de obligatieportefeuille.

 

Renteschema

Vanwege de lage renteniveaus leveren de middelen bij het Agentschap van het Ministerie van Financiën (schatkist) geen rente op. Wij krijgen alleen rentebaten afkomstig uit de obligatieportefeuille. Er wordt niet geleend. Evenmin wordt een renteomslag toegepast door rente toe te rekenen aan taakvelden. Het BBV renteschema is daarom minder van toepassing.

Het begrote renteresultaat voor 2020 geeft het volgende beeld:

    (x  1.000)
a.

Rentebaten van de obligatieportefeuille                                                        

€ 18.460
b.

Rentebaten van de hybride BNG leningen

€   2.612
c. Rentebaten uit financiële vaste activa (uitstaande leningen) €         0
d. Rentebaten uit rekening-courant (SKB Agentschap MvF) €    nihil
e. Afschrijving (dis)agio obligatieportefeuille voor 2020 €  -2.733
f. Rente toegerekend aan taakvelden

€    nihil

  Renteresultaat Treasury  €  18.339

Schatkistbankieren

De liquiditeiten die niet nodig zijn voor de financiering van de provincie worden verplicht gestald bij het Agentschap van het Ministerie van Financiën, althans indien het drempelbedrag wordt overschreden. Deze drempel is afhankelijk van het begrotingstotaal (€ 3,75 miljoen + 0,2% van het meerdere boven het begrotingsbedrag van € 500 miljoen). Voor 2020 bedraagt de drempelwaarde € 4,9 miljoen.

Deze verplichting geldt niet indien overtollige middelen worden aangewend voor de publieke taak (te bepalen door PS), zoals uitlenen aan decentrale overheden.

Lenen aan decentrale overheden

Gelden mogen worden uitgeleend aan decentrale overheden (die niet in een gezagrelatie staan tot de provincie). Gezien de huidige renteniveaus en onze renteverwachting (gebaseerd op het ECB beleid), vinden wij het rendement/risicoprofiel van langjarige uitzettingen (> 5 à 10 jaar) niet interessant.

Hybride kapitaal

Samen met andere provincies hebben wij in 2015 en 2016 deelgenomen aan een emissie door de BNG Bank van zgn. hybride kapitaal; totaal € 74,5 miljoen. Dit financiële instrument is een combinatie van enerzijds risicodragend c.q. eigen vermogen van de bank, bedoeld om de solvabiliteit te versterken, en anderzijds een lening met een rentevergoeding en aflossing. BNG Bank heeft contractueel de mogelijkheid om vervroegd af te lossen in 2021 respectievelijk 2022. Deze twee leningen zijn verstrekt door PS uit hoofde van de publieke taak: namelijk aandeelhouder van BNG Bank en het faciliteren van gunstige financieringsvoorwaarden voor de publieke sector.

Financiële risico's

Volgens ons Treasury Statuut en de Wet Fido gaat het met name om de beheersing van de rente-, koers-, krediet-, en liquiditeitsrisico’s. Kijkend naar de prognose van de liquiditeitenontwikkeling is het liquiditeitsrisico minimaal. Dat geldt ook voor renterisico’s omdat we geen kort- of langlopende leningen hebben opgenomen. Alle obligaties in de beheerportefeuille luiden in Euro, dus is er geen valutakoersrisico. Elke obligatie kent wel een kredietrisico. Dat risico is echter zo veel mogelijk ingeperkt, doordat de obligaties grotendeels (93%, peildatum 30 juni 2019) een AAA of AA minus rating hebben, en veelal staatsobligaties betreffen of van overheid gerelateerde instellingen, dan wel obligaties met onderpand ('covered bonds'). De gehele obligatieportefeuille alsmede de twee leningen aan de BNG Bank worden aangehouden bij een onafhankelijke ‘custodian’ (bewaarbank).

Obligatieportefeuille

Onze obligaties zijn beursgenoteerd en dus verhandelbaar. De marktwaarde fluctueert vooral door renteontwikkelingen. Als gevolg van de extreem lage kapitaalmarktrente (per 20 augustus 2019 leende NL Staat voor 10 jaar tegen -0,55%), lag de marktwaarde van de obligaties flink hoger lag dan hun aflossingswaarde. Dit ‘marktrisico’ raakt ons in principe niet, omdat wij als balanswaarde de nominale waarde hanteren, of te wel de waarde op aflossingsdatum. Voor de obligatieportefeuille hanteren wij een ‘buy-and-hold-policy’, dus de obligaties aanhouden tot aflossingsdatum. Markttechnisch gezien noteren sommige obligaties thans een negatief marktrendement als gevolg van de zeer lage kapitaalmarkt renteniveaus. Hoewel niet nodig voor onze liquiditeitspositie, kan vervroegde verkoop van obligaties daarom aantrekkelijk zijn.

Landenverdeling
Marktwaarde* Percentage
Nederland € 192.940.595 30%
Frankrijk € 107.629.921 17%
Supranationaal € 98.186.291 15%
Verenigd Koninkrijk € 74.186.785 12%
Spanje € 43.059.355 7%
Oostenrijk € 34.720.451 5%
Duitsland € 25.710.482 4%
Finland € 23.066.768 4%
Luxemburg € 20.651.901 3%
Italië € 13.676.775 2%
Slovenië € 5.225.421 1%
Totaal € 639.054.745 100%
* Marktwaarde 30 juni 2019
-
Ratingverdeling
Marktwaarde* Percentage
AAA € 400.120.020 62%
AA+ € 94.835.754 15%
AA € 49.086.110 8%
AA- € 50.118.516 8%
A- € 25.973.281 4%
BBB+ € 5.244.289 1%
BBB € 13.676.775 2%
Totaal € 639.054.745 100%
* Marktwaarde 30 juni 2019

Verloopoverzicht obligatieportefeuille

EMU saldo

In 1992 is de Europese en Monetaire Unie (EMU) tot stand gekomen. Toen is het EMU saldo geïntroduceerd om vergelijkingen tussen de verschillende lidstaten mogelijk te maken. Beheersing van het EMU saldo is van belang voor houdbare overheidsfinanciën (Wet Hof). De decentrale overheden en de Rijksoverheid hebben afspraken met elkaar gemaakt over de invulling van ieders verantwoordelijkheid in deze.

Berekening van het EMU-saldo en het verschil tussen het baten/lasten stelsel
Het EMU saldo wordt berekend op transactiebasis. Deze berekeningswijze is in grote mate vergelijkbaar met het kasstelsel zoals dat voor het Rijk van toepassing is. Echter het BBV schrijft voor decentrale overheden een administratie voor op basis van het baten/lastenstelsel. Het EMU-saldo berekenen we door - afhankelijk van de kasmutaties - enkele posten erbij te tellen dan wel eraf te trekken. De berekening treft u aan in het bijlagenboek.

EMU-referentiewaarden provincies
In mei 2018 heeft overleg plaatsgevonden tussen het Rijk en de koepels van de decentrale overheden (IPO, VNG, UvW) over de ruimte voor het EMU saldo voor de eerstvolgende jaren. De staatssecretaris heeft toen voorgesteld dat de decentrale overheden gezamenlijk -0,4% van het BBP als ruimte krijgen voor de jaren 2019 tot en met 2022. De ruimte voor provincies daar binnen is -0,08%. De in de septembercirculaire 2019 afgegeven referentiewaarde 2020 voor de provincie Overijssel bedraagt circa € 57 miljoen. Een individuele EMU-referentiewaarde betreft geen norm, maar een indicatie van het aandeel dat een provincie of gemeente in de gezamenlijke tekortnorm heeft.

EMU-saldo 2020
Op basis van de voorliggende begroting verwachten wij in 2020 een EMU-tekort van € 91 miljoen te realiseren. Dit EMU-tekort wordt veroorzaakt door de lopende investeringen in met name materiële vaste activa in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut (wegen) en grondverwerving voor de realisatie van de Ontwikkelopgave.

De afgelopen jaren pasten de EMU-tekorten van de decentrale overheden binnen de ruimte die hiervoor door het Rijk beschikbaar was gesteld, mede omdat de EMU-realisatiecijfers lager uit kwamen dan geraamd. Als echter het landelijke totaal van afgegeven EMU-prognoses wordt gerealiseerd, bestaat de kans dat de toegewezen EMU-ruimte wel wordt overschreden. De Minister van Financiën heeft destijds bij de behandeling van het wetsontwerp overigens meermaals aangegeven dat de Wet Hof geen obstakel mag zijn voor investeringen van decentrale overheden. Daarom zullen wij bij het Rijk het belang van voldoende EMU-ruimte blijven benadrukken.